Haar hondje.

Met een stevige pas liep ik over het strand. Hoewel het al April was stond er een stevig briesje en de mist hing laag over het strand.
Ik trok mijn kraag eens even flink op.
Met een ietwat gebogen hoofd liep ik verder. Het was stil, erg stil, alleen het ruisen van de zee stroomde door mijn hoofd.
Dat was heerlijk want het bracht mij tot rust.

Na een tijdje zo gelopen te hebben zag ik voor mij een gedaante opdoemen. Omdat ik harder liep dan de persoon voor mij, kwam ik dichter en dichter bij.
De gedaante liep langzaam en met gebogen hoofd.

Toen ik vlak bij was zag ik dat het een vrouw was en ik hoorde een geluid alsof ze aan het snikken was.
Ze keek niet op of om en liep met gebogen schouders naar de grond te staren, lopende alsof het haar niets uitmaakte waar ze liep.

Even bleef ik achter haar lopen maar omdat ik dat niet prettig vond haalde ik haar in.

Toen ik langs haar liep zag ik de tranen over haar wangen lopen.
Ik zei niets, bleef even naast haar lopen en voelde dat ze naar mij keek, zo liepen wij verder. Ineens, zonder dat ik er erg in had, haakte ik mijn arm door die van haar, ze keek even naar mij, knikte even en zo liepen wij zwijgend verder.

Na zo een tijd gelopen te hebben begon ze tegen mij te praten.
Ze vertelde dat ze haar kameraadje kwijt was, haar hond had ze, na 12 jaar, in moeten laten slapen.
Ze voelde zich nu erg alleen en intens verdrietig.
Ze kon er niet over praten met anderen, mensen begrepen niet dat je om een hondje zoveel verdriet kon hebben.
Ik liet haar praten, ik voelde dat ze opgelucht was dat ze zomaar tegen een vreemde haar verhaal kwijt kon, haar verdriet kon delen.
Ze vertelde mij dat haar hond haar twaalf mooie jaren had gegeven. Een hond die haar kameraad was en die voor haar als een geschenk was gekomen.

Als puppy had ze hem gekregen van haar man, haar man die ze ook al verloren had.
Daarom voelde ze zich extra verdrietig omdat haar hondje iets was van haar man en haar samen.
Ik zei niets, liet haar praten, het deed haar goed, de tranen stroomde niet meer over haar wangen. Ze was opgelucht dat ze haar verhaal aan zomaar iemand kwijt kon.

Samen hebben wij nog zo een tijd doorgewandeld, ze vertelde mij haar levensverhaal en daarna gingen wij samen ergens wat drinken.

Na een tijd zei ik dat ik terug moest naar de trein.
Ik zei haar gedag en ze keek mij aan en bedankte mij dat ik …een vreemde…er zo maar voor haar was.

In de trein bedacht ik hoe het toch zo wonderlijk kon lopen in het leven. Dat je zomaar iemand aanhoort, niet eens de namen weet van elkaar en toch elkaar een goed gevoel hebt kunnen geven. Ik dacht ook aan mijn eigen kameraadje die niet ouder als 6 was geworden.
Daarom voelde ik ook… haar…. pijn en verdriet, die kende ik immers ook!

Tevreden ging ik naar huis.

© Mar Klavier 2005  ( Patricia )