De maan.
De maan scheen door de ruiten,
haar neusje tegen het raam.
Keek ze verlangend naar buiten,
uren kon ze zo staan.
Haar voetjes kraakten op de vloer van hout,
mama riep: ”ga slapen”.
Maar ze bleef lekker stout,
en stond naar buiten te gapen.
Sterren fonkelden aan de lucht,
zo mooi, zoveel licht.
Ze slaakte een diepe zucht,
wat een mooi gezicht.
Nu was ze de 50 gepasseerd,
en stond ze voor het raam.
Het nog steeds niet afgeleerd,
turend naar de maan.
Sterren in een donkere nacht,
ze voelde zich weer klein.
Een fonkelende pracht,
een moment genietend, wat fijn.
Patricia 2003
© 2003